Huishoudens met een laag inkomen gaan er volgend jaar 0,1 procent minder op vooruit dan eerder was gepresenteerd. De verwachte koopkrachtstijging daalt van 0,2 naar 0,1 procent door de aangepaste belastingplannen van het kabinet. Dat blijkt uit de laatste tabellen in handen van de politieke redactie van RTL Nieuws. Economen Daniël van Vuuren en Francis Weyzig leggen uit wat de wijziging in de praktijk betekent.
Verschil is klein
De verlaging van 0,2 naar 0,1 procent lijkt klein. Voor een doorsnee huishouden komt een verschil van 0,1 procentt neer op ongeveer vier euro per maand. “Om de cijfers verder in context te plaatsen, 0,1%-punt verschil is voor een doorsnee huishouden zo’n 4 euro per maand”, zegt Francis Weyzig, programmaleider belastingen bij het CPB.
Ook Daniël van Vuuren, hoogleraar economie aan Tilburg University, noemt het verschil klein. “Dat gaat om heel weinig geld, een paar euro”, zegt hij.
De grens waar het hoogste belastingtarief van 49,5 procent geldt, wordt door de nieuwe plannen verhoogd van 78.426 naar 80.578 euro. Daardoor betalen mensen met een hoger inkomen over een groter deel van hun inkomen het lagere belastingtarief. Tegelijkertijd wordt de eerder geplande verhoging van de arbeidskorting beperkt. Daardoor valt de koopkrachtstijging voor huishoudens met een laag inkomen lager uit dan eerder was berekend.
Werken moet lonen
“Vaak is het een heel pakket, er zitten verschillende onderdelen in die tegen elkaar wegvallen. Ik denk dat hier een belangrijke rol heeft gespeeld dat werken moet lonen”, zegt Van Vuuren. Volgens de hoogleraar wil het kabinet ervoor zorgen dat betaald werken aantrekkelijk blijft.
De aangepaste plannen kosten de overheid volgend jaar 436 miljoen meer dan de eerdere plannen.






