Uit een analyse van het ANP op basis van Kieskompas-cijfers blijkt dat ongeveer de helft van de Nederlanders achter de spreidingswet staat. Toch lopen de meningen sterk uiteen tussen verschillende gemeenten. Vooral Utrecht en Tynaarlo springen eruit: daar is zo’n 70 procent van de inwoners vóór de wet. In Urk is het beeld juist omgekeerd, met ruim 70 procent die zich tegen de spreidingswet uitspreekt. Hoe ontstaan zulke grote verschillen tussen gemeenten?
“De voornaamste factor is simpelweg de diversiteit ter plekke. Dus hoewel je misschien weinig ervaring hebt met vluchtelingen, ben je er als inwoner van een grote stad wel aan gewend dat je mensen met een hoofddoek of een andere huidskleur ziet lopen,” legt Tobias Stark, universitair hoofddocent aan de Universiteit Utrecht, uit. Doordat stedelingen regelmatiger positief contact hebben met mensen van uiteenlopende achtergronden, zijn zij minder vatbaar voor negatieve beeldvorming en staan zij doorgaans eerder open voor de spreidingswet, stelt hij.
Dat is anders in plaatsen buiten de Randstad, zoals Urk. Volgens Stark komt dat doordat daar minder diversiteit is. “Je hebt die uitspraak ‘onbekend maakt onbemind’, en dat zien we ook heel vaak terug in onderzoeken,” zegt hij. Omdat mensen daar minder vaak iemand van een andere afkomst ontmoeten, hebben zij minder positieve ervaringen en krijgen zij vooral de negatieve verhalen in de media mee. Daardoor zijn ze volgens hem gevoeliger voor die negatieve beelden. “Iedereen zit in zijn eigen sociale bubbel. Ze zien berichten voorbij komen die bevestigen wat ze al geloven: confirmation bias noemen we dat. Als je al negatieve verwachtingen hebt, blijf je bij de negatieve verhalen hangen — en dan zie je die ook meer.”
De verschillen tussen gemeenten lijken vooral samen te hangen met de sociale omgeving en de mate van diversiteit die mensen daar ervaren. Wie vaker in contact komt met personen van verschillende achtergronden, ontwikkelt volgens Stark vaak een andere kijk op nieuwkomers dan wie die ervaring minder heeft. Directe ervaring met mensen van andere afkomsten kan volgens hem bijdragen aan een positievere houding tegenover AZC’s.






