Medewerkers in de zorg hebben het extra druk gekregen, doordat de overheid strenger optreedt tegen schijnzelfstandigheid, blijkt uit een recent onderzoek van ING. Schijnzelfstandigheid houdt in dat iemand officieel zzp’er is, maar eigenlijk als werknemer werkt. Door deze strengere regels wordt het volgens zzp’er Tim Putter lastiger om zijn werk volgens de regels te doen.
Putter is sinds 2016 zelfstandig ondernemer en werkt als arts binnen de revalidatie. Voor hem was de keuze duidelijk: meer vrijheid, meer flexibiliteit en minder invloed van een werkgever op zijn privéleven. “Bij een werkgever werd ik beperkt hoe ik mijn dagen kon invullen en hoeveel dagen ik vrij kon nemen. Een werkgever heeft indirect veel invloed op het privéleven,” vertelt hij. Ondernemen trok hem bovendien altijd al: “De risico’s die daarbij horen, maken deel uit van wat ondernemen zo leuk maakt.”
De keerzijde en strengere regels
Toch kent het zelfstandig ondernemerschap ook nadelen. “Je hebt onzekerheid: geen vast maandbedrag, steeds veranderende wetgeving en strengere regels,” legt Tim uit. Vooral de laatste jaren merkt hij dat opdrachtgevers voorzichtiger zijn geworden. Vanaf 1 januari 2025 wordt er bovendien actief gecontroleerd op schijnzelfstandigheid, staat op de site van de Rijksoverheid. En vanaf 2026 kunnen er voor zzp’ers strengere regels gaan gelden, mits het wetsvoorstel aangenomen wordt door de regering. Zzp’ers moeten dan laten zien dat ze echt ondernemer zijn, bijvoorbeeld door risico’s te dragen, meerdere opdrachtgevers te hebben en eigen materialen te gebruiken. Wie minder dan €36 per uur verdient, kan als werknemer worden gezien, tenzij de opdrachtgever het tegendeel kan bewijzen. Tim merkt dat het hierdoor lastig kan worden om aan alle eisen die de wetgeving vraagt, te voldoen: “Je kan als zzp’er heel lastig volgens de regels werken, omdat de eisen steeds veranderen en hier geen duidelijkheid over is.”
Afwisseling
Gelukkig ervaart hij ook veel voordelen. “Ik vind het heel leuk dat je enkele keren per jaar naar een andere werkplek gaat. Nu heb ik vier opdrachtgevers op verschillende locaties.” Die afwisseling houdt zijn werk interessant en geeft hem energie. Toch ziet hij dat het vinden van opdrachten minder vanzelfsprekend is dan vroeger. “Eerst was er meer vraag dan dat ik aankon, nu wordt het door de wetgeving steeds moeilijker.”
En de vraag of hij ooit nog terug zou willen naar een vaste baan bij een werkgever, beantwoordt hij voorzichtig. “Nee, liever niet. Alleen als het financieel echt zou moeten, maar dan zoek ik misschien wel iets buiten de zorg.”






