Op paleis Huis ten Bosch is gisterochtend het nieuwe kabinet beëdigd door koning Willem-Alexander. Rob Jetten neemt het stokje over van Dick Schoof en staat meteen al voor een uitdaging: Hij moet met zijn ministerploeg zorgen voor een meerderheid die achter de plannen van de regering staat. Een klus die misschien makkelijker gezegd is dan gedaan?
Een bijzonder systeem
Een combinatie van drie partijen stond vandaag op het bordes: De grote winnaar D66, samen met het CDA en de VVD. De zetels van de drie partijen komt op een totaal van 66 zetels, wat voor een minderheid zorgt in de tweede kamer.
Deze variant van regeren komt niet vaak voor in Nederland. Slechts een enkele keer kwam dit voor. Kabinet Rutte I was in 2010 de laatste die regeerde in deze vorm alleen kregen zij toen vaste steun vanuit de PVV. Dit kabinet heeft vooralsnog geen vaste steun van een oppositiepartij en moet dus per onderwerp een meerderheid gaan zoeken bij verschillende partijen in de tweede kamer.
Minderheidskabinet een systeem met voor-en nadelen
Rick van Well, politicoloog aan de Rijksuniversiteit van Groningen ziet een minderheidsvorm zorgen voor een potentieel meer realistische meerderheid. Volgens van Well krijgt een wetsvoorstel meer steun vanuit de volksvertegenwoordiging, de tweede kamer. Bij een meerderheidsvariant wordt het risico op een ‘kunstmatige’ meerderheid groter: “Er komt een meerderheid in de tweede kamer omdat er nou eenmaal compromissen of dingen zijn uitgeruild in een coalitieakkoord”
Om deze variant te laten lukken is wel van belang dat er goed contact is tussen coalitie en oppositie “Het is belangrijk dat er in een zo vroeg mogelijk stadium contact komt tussen de partijen om zich ervan te verzekeren dat er steun komt voor een plan” De grootste valkuil volgens Van Well is dat “Denken dat het wel goed komt” daar doelt hij op de steun die het kabinet kan krijgen bij een wetsvoorstel.
Vertrouwen in de politiek
Met deze nieuwe vorm kunnen andere en dus ook meerdere partijen wel meer invloed uitoefenen op de beslissingen. Of dan ook het vertrouwen in de politiek zal gaan stijgen durft Van Well niet te zeggen.
“Het kan twee kanten opgaan, daar zit een balans in. Als oppositiepartijen meer invloed kunnen uitoefenen op de beslissingen krijgt de achterban van die partij ook indirect meer invloed op het beleid.
Maar als de kiezer ontevreden is en er meerdere partijen verantwoordelijk worden gehouden en partijen te innig samenwerken, kan het onderscheid tussen de partijen vervagen en kan de kiezer het gevoel krijgen dat ze geen keus meer hebben bij verkiezingen”
Lessen uit Denemarken
In Kopenhagen zijn ze bekend met een minderheidskabinet. Daar zit sinds 2022 kabinet Frederiksen-II en wordt gezien als een stabiele coalitie. Enige verschil met Nederland is dat in Denemarken er geen eerste kamer bestaat.
Van Well ziet ook gelijkenissen met het Deense systeem en ziet daar ook lessen in voor Nederland. “Door de herhalende interactie tussen regering en oppositie is er een cultuur van consensus ontstaan. Alle partijen weten dat als ze na de volgende verkiezingen gaan regeren ze waarschijnlijk ook weer andere fracties nodig. Die cultuur hebben we in Nederland vooralsnog niet”
Hij ziet wel dat verschillende partijen richting een goede samenwerking willen gaan tussen regering en oppositie. Hij hoopt ook dat dit, los van de inhoud, een succes wordt omdat hij verwacht in de toekomst steeds meer minderheidskabinetten te zien.






