Deze week publiceert de SKON (Stichting Kiezersonderzoek Nederland) nieuwe bevindingen uit het Nationaal Kiezersonderzoek 2025. Daarmee komt ook eerder onderzoek over politieke afkeer opnieuw in de schijnwerpers. Meer dan tachtig procent van de Nederlanders heeft een uitgesproken afkeer tegen ten minste één politieke partij. Dat blijkt uit het NKO (Nationaal Kiezersonderzoek) dat gehouden werd rond de Tweede Kamerverkiezingen van november 2023. Deze afkeer speelt zich vooral af tussen de politieke flanken. Aanhangers van GroenLinks-PvdA en PVV staan lijnrecht tegenover elkaar.
Voor ongeveer een derde van de Nederlanders is die afkeer meer dan alleen een bijzaak, het is een belangrijk onderdeel van hoe zij zichzelf zien. Onderzoekers noemen dit een “negatieve politieke identiteit”. Mensen definiëren zichzelf op politiek gebied niet zozeer door waar ze voor zijn, maar door waar ze tégen zijn. De PVV wordt daarin het meest als doelwit genoemd.
Politicoloog Eelco Harteveld van de Universiteit van Amsterdam deed eerder onderzoek naar politieke polarisatie in Nederland en Europa. En volgens hem vertelt de afkeer iets meer over een breder gevoel van wantrouwen richting de politiek.
“Slechts 19 procent van de kiezers heeft vertrouwen in de Tweede Kamer. Een paar jaar geleden was dat nog zo’n 50 procent. Dat hebben we zelf nog nooit eerder gezien.”
Het onderzoek maakt een onderscheid in de afkeer en een nog verdergaande mentaliteit, vijanddenken. Hierbij worden politieke tegenstanders niet alleen afgewezen, maar ook principieel veroordeeld. Met de stelling: dat sommige partijen er bewust op uit zijn om “Nederland kapot te maken” was een kwart van de ondervraagden in het onderzoek het volledig eens. Nog eens 18 procent was het er een beetje mee eens.
Harteveld ziet daarin een zorgelijk signaal. “In een democratie is conflict normaal. Maar je zou willen dat mensen op de inhoud met elkaar van mening verschillen en dat de persoon nog wel gedeeld wordt.” De vraag is volgens hem of diepgeworteld vijanddenken dat nog mogelijk maakt.
Tom van der Meer, politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam en co-auteur van het NKO rapport, geeft aan dat de afkeer heel specifiek is. “Tachtig procent afkeer is een vergaande emotie. Maar die lage sympathie is vaak gericht op een heel specifieke set van partijen, met name de PVV.”
Wat opvallend is, is dat de polarisatie die de cijfers blootleggen, in het dagelijks leven bijna niet wordt gevoeld. Meer dan de helft van de ondervraagden van het onderzoek geeft aan niet te merken dat verhoudingen in hun omgeving zijn verslechterd door verschillen in politieke meningen.
Harteveld verklaart. “Nederlanders zien veel conflict op tv, online en in Den Haag. Maar dat betekent niet dat mensen in het dagelijks leven met elkaar over politiek liggen. In de praktijk vermijden we dat onderwerp ook een beetje.” Politieke polarisatie is volgens hem vooral iets wat niet in de eigen woonkamer afspeelt.
Of de afkeer en het vijanddenken zijn toegenomen vergeleken met voorgaande verkiezingen, kunnen de onderzoekers niet zeggen. Toch ziet Harteveld in andere cijfers wel een trend. “het politieke vertrouwen is in een paar jaar tijd gehalveerd. Nederland was altijd een land met relatief hoog politiek vertrouwen. Dat is in een paar jaar tijd eigenlijk volledig weggemaakt.”
De NKO onderzoekers benadrukken dat dit een punt van zorg is voor de democratie. En dat afkeer van een politieke partij op zichzelf niet schadelijk hoeft te zijn, kiezers kunnen goede redenen hebben om een partij af te wijzen. Maar als deze afkeer de enige politieke motor is, zonder positief tegengewicht, dan kan de democratie kwetsbaar worden. Dus met andere woorden: het is goed voor de democratie als kiezers niet alleen weten waartegen ze zijn, maar ook waarvoor.






