Sommige Nederlanders vinden dat topsport de kloof tussen arm en rijk vergroot. Dat blijkt uit de nieuwste Topsport in Nederland-monitor van het Mulier Instituut van 23 september. Lisanne Balk, onderzoeker bij het Mulier Instituut, vertelt wat deze mening precies betekent.
Toegankelijkheid lijkt daarbij een belangrijk thema. “Sommige sporten of evenementen zijn gewoon niet voor iedereen bereikbaar,” zegt Balk. “Denk aan de Olympische Spelen. De gedachte is: sport is er voor iedereen. Nou, ver van, zou ik haast zeggen, Want dat is schreeuwend duur, om daar een kaartje voor te kopen.”
Niet alleen kijken naar topsport kost geld, meedoen is vaak nog duurder. “Veel sporten zijn prijzig om te beoefenen. Denk aan trainen, toernooien, materialen. Dat kan niet iedereen betalen,” zegt Balk. “Roeien is daar een goed voorbeeld van. Een roeiboot, het lidmaatschap en het gebruik van materialen, dat is niet voor iedereen weggelegd.”
Volgens Balk kan juist die financiële drempel bijdragen aan het gevoel dat topsport niet voor iedereen is. “Als deelname aan bepaalde sporten alleen mogelijk is voor mensen met voldoende geld, dan krijgt niet iedereen dezelfde kans om zich te ontwikkelen. Dat kan het beeld versterken dat topsport vooral is weggelegd voor de elite, en daarmee ook het gevoel dat de kloof tussen arm en rijk groter wordt.”
Topsport en het gevoel van ongelijkheid
“We hebben duizenden mensen gevraagd naar hun mening over topsport en welke positieve en negatieve kanten ze eraan zien,” vertelt Balk. “Laat ik vooropstellen dat er heel vele positieve kanten aan topsport zitten, zoals trots, passie, plezier en het oranjegevoel, maar er zitten helaas ook negatieve kanten aan topsport zoals agressie en geweld, de schadelijke impact op het milieu, en dus ook het vergroten van de kloof tussen arm en rijk.”
Een duidelijke oorzaak voor het gevoel dat topsport ongelijkheid versterkt is niet onderzocht, benadrukt Balk. “We hebben mensen gevraagd naar hun perceptie van topsport, niet naar de motivatie achter hun antwoorden,” zegt ze. “Dat beeld van ongelijkheid, bijvoorbeeld het verschil tussen arm en rijk, komt in meerdere stellingen terug, maar we weten niet precies waar dat vandaan komt. Dat zou eigenlijk een vervolgstap in het onderzoek geweest moeten zijn.”
Geldpotjes
Voor jonge talenten zonder financiële middelen zijn er wel geldpotjes beschikbaar, zoals het Yvonne van Gennip Talent Fonds, steun vanuit sportbonden of hulp van gemeenten. Toch blijkt die ondersteuning niet altijd even zichtbaar. “Ik denk dat die niet altijd goed worden gevonden,” zegt Balk. “Er zijn best wat mogelijkheden, maar er wordt niet voldoende gebruik van gemaakt.”
Naast het Van Gennip Fonds zijn er nog andere geldpotjes. Via Talentboek kunnen sporters tot 24 jaar bijvoorbeeld geld inzamelen via crowdfunding. Missie 1 voor 100 biedt een vergoeding aan jonge talenten die sportlessen geven aan kinderen. Het particuliere fonds Berg Talent ondersteunt jongeren tussen 11 en 18 jaar met een officiële talentstatus. En via TalentNEXT kunnen sporters tussen 16 en 20 jaar een bijdrage krijgen als ze tot de top van hun lichting behoren en serieuze ambities hebben.
Deze potjes zijn bedoeld om financiële drempels te verlagen, maar volgens Balk is er nog werk aan de winkel om ze beter onder de aandacht te brengen.
Toekomstplannen
In de toekomst wil het Mulier instituut verder onderzoeken hoe topsport voor iedereen bereikbaar kan worden. “In de breedtesport kijken we daar al naar: is sport voor iedereen even bereikbaar? Dat is echt een groot thema,” zegt ze. “Maar binnen de topsport en talentontwikkeling hebben we dat nog niet goed onderzocht. We hebben er nog geen scherp beeld van, maar het staat wel op de planning.”
Ook vanuit het sportbeleid is er steeds meer aandacht voor dit onderwerp, omdat het gaat om gelijke kansen voor iedereen in de topsport. Balk benadrukt dat het Mulier Instituut benieuwd is naar hoe kansen zich precies verdelen binnen de wereld van topsport en wat dat betekent voor wie wel of niet mee kan doen.





