Ey! Daily is het publicatieplatform van de studenten van Fontys Journalistiek Tilburg. Hier leren en publiceren we.
Alle content werd geproduceerd binnen een onderwijscontext. Het is een leeromgeving, wat betekent dat deze redacteuren behalve mooie dingen, ook fouten mogen en zullen maken. Meer weten? Stuur je vragen naar eydaily@fontys.nl.
Ey! Daily. is het publicatieplatform van de studenten van Fontys Journalistiek Tilburg. Hier leren en publiceren we.
Alle content werd geproduceerd binnen een onderwijscontext. Het is een leeromgeving, wat betekent dat deze redacteuren behalve mooie dingen, ook fouten mogen en zullen maken. Meer weten? Stuur je vragen naar eydaily@fontys.nl.
Het Franse AI-bedrijf Mistral heeft deze week drie miljard euro opgehaald bij investeerders. Ook het Nederlandse ASML doet opnieuw mee en steekt 400 miljoen euro in het bedrijf. Mistral wordt inmiddels gewaardeerd op ruim 21 miljard euro. De forse investering roept de vraag op of het Franse bedrijf Europa minder afhankelijk kan maken van Amerikaanse AI-technologie.
Mistral bestaat pas drie jaar, maar is inmiddels het op één na hoogst gewaardeerde private technologiebedrijf van Europa. Toch kan Mistral zich technisch nog niet meten met de beste AI-modellen ter wereld.
Volgens AI-onderzoeker Arjan van Dalfsen, promovendus aan de Universiteit Utrecht, lopen de modellen van het bedrijf op onafhankelijke benchmarks achter op de absolute top. “Als je het over de echte cutting-edge techniek hebt, dat zit daar niet”, zegt hij. Met ‘cutting-edge’ bedoelt Van Dalfsen de nieuwste en meest geavanceerde AI-technologie.
De nieuwe miljarden moeten Mistral meer ruimte geven om die achterstand te verkleinen, onder meer door te investeren in extra rekenkracht en infrastructuur.
Niet voor iedere taak is de beste AI nodig Die achterstand hoeft volgens Van Dalfsen niet voor iedere toepassing een probleem te zijn. Bedrijven en organisaties hebben voor veel dagelijkse taken helemaal niet het krachtigste AI-model ter wereld nodig.
“Een heleboel dingen kun je prima doen met wat Mistral levert”, zegt hij. Denk bijvoorbeeld aan het verwerken of analyseren van teksten en documenten.
Daarnaast kan het voor organisaties belangrijk zijn hoeveel controle zij hebben over hun technologie en gegevens. Mistral zet zelf sterk in op zogenoemde ‘soevereine AI’, waarbij organisaties meer controle houden over hun modellen, infrastructuur en data. Van Dalfsen vat die behoefte samen als: “Niet per se moeilijke AI, maar wel veilige AI.”
Ook Mistral gebruikt Amerikaanse technologie Maar een Europees AI-bedrijf betekent niet automatisch Europese onafhankelijkheid. Mistral gebruikt bijvoorbeeld chips van het Amerikaanse Nvidia en werkt samen met Microsoft. De afhankelijkheid zit dus niet alleen in de AI-modellen zelf, maar ook in de technologie die nodig is om ze te ontwikkelen en te gebruiken.
Toch ziet Van Dalfsen ruimte om de Amerikaanse afhankelijkheid te verkleinen. “De afhankelijkheid van de VS kan door Mistral wel degelijk zakken.” Voor Europa zit de winst daarmee vooral in het hebben van een eigen alternatief.
Het is de Refashion Month in Tilburg! En de afgelopen jaren begint refashion, of tweedehandsmode, steeds populairder te worden. Open een modeblad rondom de fashiontrends van de aankomende herfst en mode uit de jaren 90 en 00 is weer helemaal in! Maar wat merken tweedehandswinkels daarvan?
Voor sommige studenten is op kamers gaan een logische stap tijdens hun studententijd. Voor anderen blijft het bij een wens. De financiële situatie van ouders speelt daarbij een belangrijke rol. Wie financieel door zijn ouders wordt gesteund, heeft meer mogelijkheden om uit huis te gaan. Dat kan invloed hebben op hoeveel tijd studenten hebben voor hun studie en sociale leven, maar ook op de vrijheid die zij ervaren.
Meer tijd door uit huis te gaan
Jelt van Oirschot woont samen met zijn vriend in Maastricht en studeert daar. Voor hem was uit huis gaan vooral een praktische keuze. “Ik ben uit huis gegaan omdat het praktisch gezien onmogelijk voor mij werd om elke dag van Sint-Oedenrode naar het MUMC+ te gaan met het openbaar vervoer”, vertelt hij. De tijd die hij normaal kwijt zou zijn aan reizen, gebruikt hij liever om te sporten of te studeren.
Jelt vond zijn appartement via een makelaar. Daarnaast zocht hij in verschillende Facebookgroepen naar een geschikte woning. Samen met zijn vriend betaalt hij ongeveer 760 euro per maand, inclusief gas, water en licht.
Om de kosten te betalen werkt hij ongeveer twintig uur per week. Daarnaast ontvangt hij een uitwonende beurs van DUO en huurtoeslag. Ook helpen zijn ouders financieel mee met onder andere boodschappen en een deel van de huur. Dat is volgens Jelt een groot voordeel, maar niet de reden dat hij op kamers is gegaan. “Het maakt het makkelijker, maar ik denk dat mensen met minder rijke ouders ook genoeg kansen hebben.”
Toch blijkt uit cijfers dat financiële steun van ouders wel degelijk verschil kan maken. Henk van den Bosch, penningmeester van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb), wijst op de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting. Daaruit blijkt volgens hem dat ouders gemiddeld 230 euro meer bijdragen aan uitwonende studenten dan aan thuiswonende studenten. Studenten die geen financiële steun krijgen, staan daardoor financieel op achterstand.
Volgens Van den Bosch heeft thuis wonen bovendien gevolgen voor het studentenleven. Studenten zijn vaak meer tijd kwijt aan reizen en hebben daardoor minder tijd voor hun studie en sociale leven. Ook kunnen zij minder verbonden raken met hun opleiding en de stad waarin ze studeren.
Thuis wonen als financiële keuze
Voor Stijn Glorie, student Logistiek aan de Hogeschool van Amsterdam, is uit huis gaan voorlopig geen realistische optie. Hij woont in Limmen bij zijn ouders, omdat de kosten van een kamer volgens hem niet passen bij zijn financiële situatie.
“Ik woon nog thuis omdat de prijs om op kamers te gaan, inclusief alle kosten die erbij komen, zoals boodschappen, onrealistisch is met mijn huidige financiële situatie.”
Stijn zou eigenlijk wel graag op kamers willen. Hij heeft alleen niet het gevoel dat dit op dit moment noodzakelijk is. Daarnaast wil hij niet al zijn geld kwijt zijn aan wonen, waardoor er minder overblijft voor vakanties en uitjes.
Op kamers biedt meer vrijheid
Dat uitwonend wonen ook invloed heeft op de vrijheid die studenten ervaren, merkt, een student Hotel Management aan de AP Hogeschool Antwerpen. “De vrijheid en verantwoordelijkheid. En iets meer sensatie dan wanneer je in het dorpje thuis woont”, noemt zij als grootste voordelen.
Ook bij het vinden van een kamer ziet zij verschillen tussen studenten. “In Nederland zeker weten. Naast dat het makkelijker te betalen is, word je ook sneller geaccepteerd in populaire studentenhuizen.”
De ervaringen van Jelt en Stijn laten daarmee een duidelijk verschil zien. Waar Jelt met financiële steun van zijn ouders en eigen inkomen de mogelijkheid heeft om op kamers te wonen, kiest Stijn ervoor om thuis te blijven omdat de kosten voor hem te hoog zijn.
Niet alleen een kwestie van willen
Op kamers gaan draait daardoor niet alleen om de vraag of een student dat wil, maar ook om de vraag of het financieel mogelijk is. Financiële steun van ouders kan de drempel om uit huis te gaan verlagen en daarmee invloed hebben op de tijd, vrijheid en sociale mogelijkheden die studenten tijdens hun studententijd ervaren.
LEIDEN – FC Phoenix is afgelopen weekend geopend in Leiden en is de eerste volledig op meiden en vrouwen gerichte amateurvoetbalclub van Nederland. De komst van de nieuwe club leidt online tot verschillende reacties. Onder een Instagram-post van NOS Stories over FC Phoenix schrijft iemand: “Als het een jongensclub zou zijn, dan zou er gezeik zijn.” Hoewel er ook veel positieve reacties zijn, vindt een groot deel van de reageerders de komst van de nieuwe amateurvoetbalclub voor meiden maar niks. Het staat volgens hun in lijn met discriminatie en ongelijke behandeling naar jongens en mannen.
De initiatiefnemers van FC Phoenix begonnen de club vanuit een praktisch probleem. Hun dochters hadden moeite om voldoende spelers te vinden voor hun teams. De moeders besloten daarop zelf een voetbalclub op te richten die volledig gericht is op meiden en vrouwen, waaronder het bestuur. Toch ontstaat er online veel kritiek op het initiatief. In de reacties wordt de komst van FC Phoenix vergeleken met een voetbalclub die meiden zou weigeren. “Nu draai het eens om… Dat een normale standaard voetbalclub meisjes gaat weigeren. Dan staat de hele vaderlandse pers op achterste poten!” schrijft iemand. Een andere reageerder schrijft: “Haha, maar als mannen dit doen, moet je die jankerds eens horen.”
“Het is zeker wel discriminatie in de zin dat er onderscheid wordt gemaakt tussen sekse”, zegt Jacco Sterkenburg, hoogleraar Race, Inclusion and Communication aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Volgens hem is het echter belangrijk om ook te kijken naar de maatschappelijke positie van de groep die het initiatief neemt. “Mannen hebben binnen de voetbal de meeste macht, het meeste geld, de meeste professionele competitie en de meeste middelen.”
De discussie rondom FC Phoenix raakt daarmee een bredere ongelijkheid binnen het voetbal. Agnes Elling, senior onderzoeker bij Mulier Instituut voor sportonderzoek, bevestigt dat vrouwelijke voetballers al langer niet gelijkwaardig zijn aan mannen binnen het voetbal en dat deze opkomst nodig kan zijn. “Dat je zo’n vrouwenclub opricht is gelegitimeerde discriminatie. In dit geval is het dus uitsluiten van, maar vrouwen richten zichzelf daar niet op. Het is juist nodig om een veiligere plek te creëren en om door te kunnen groeien.”
Een aparte club voor mannen zou volgens Sterkenburg bestaande machtsverschillen eerder kunnen versterken. “Maar wat er nu gebeurt, is dat vrouwen een eigen club oprichten. En daarmee ga je die bestaande machtsongelijkheid iets tegen.” Elling ondersteunt deze stelling, “Inmiddels spelen bij heel veel clubs meisjes en vrouwen, maar dat wil niet altijd zeggen dat zij geïncludeerd worden.”
De vraag is daarom niet alleen óf FC Phoenix onderscheid maakt, maar ook waarom die club nodig wordt gevonden. Zolang deelname aan een gemengde club niet voor iedere vrouw vanzelfsprekend leidt tot een gevoel van veiligheid en inclusie, blijft de behoefte aan een eigen plek bestaan.
Deze week is Wereld Suïcide Preventie Week. In heel Nederland wordt er extra aandacht besteed aan preventie. Dat is nog steeds hard nodig: wereldwijd stapt iedere 45 seconden iemand uit het leven. In Nederland overlijden jaarlijks meer dan 1750 mensen door suïcide, dit zijn dus gemiddeld 5 mensen per dag.
Elsbeth Kuysters verloor haar 17-jarige dochter Sara aan suïcide. Haar dochter kreeg hulp, werd opgenomen en had verschillende vormen van zorg. Toch kon niemand voorkomen dat ze overleed. Elsbeth zet zich in voor suïcidepreventie en vindt dat hier op jongere leeftijd aandacht aan besteed moet worden én persoonlijker moet worden.
Tijdens Wereld Suïcide Preventie Week is er extra aandacht voor de omgeving van mensen die met suïcidale gedachten kampen en voor nabestaanden. Door het hele land organiseren meer dan 500 organisaties activiteiten, ook in de LocHal in Tilburg wordt hier aandacht aan besteed. Elsbeth geeft hier een lezing, voorafgaand heb ik haar mogen spreken.
Wat doe je als je 17-jarige dochter niet meer wil leven?
Elsbeth weet het antwoord op deze vraag maar al te goed, haar dochter Sara had een doodswens en overleed uiteindelijk door suïcide.
Sara is een sociaal en vrolijk meisje, ze staat bekend als iemand die midden in de groep stond en heel betrokken was bij haar klas. Ze heeft op school nog nooit laten merken wat er in haar hoofd speelde, tot ze tijdens een werkweek meerdere keren flauw viel. Dit is ook het eerste moment dat Elsbeth en haar man door hebben dat het niet goed gaat met Sara.
Sara raakt steeds verder achter op school. Ze krijgt lichamelijke klachten en kampt met veel stress, uiteindelijk wordt duidelijk dat ze ook suïcidale gedachten heeft. Ze wordt opgenomen en krijgt professionele hulp, er waren gesprekken, therapie en medicatie. Maar Sara wordt niet beter.
Na haar verblijf in de kliniek, gaat ze zelfstandig wonen in Breda. Ze woont hier met een strak georganiseerd zorgnetwerk om haar heen. Haar ouders beheren haar medicatie en proberen haar zoveel mogelijk te ondersteunen. Het lijkt beter met haar te gaan, maar Sara haar doodswens blijft.
Bron: Pim Raukema
Praten over de dood
In de laatste maanden verandert de relatie tussen Elsbeth en Sara. Als Sara uiteindelijk aangeeft dat ze wil stoppen met haar behandeling en verder wil met haar doodswens, werd het gespreksonderwerp ‘de dood’ ineens onderwerp van gesprek.
‘’Als we het daarover kunnen hebben, dan kunnen we het over alles hebben,’’ vertelt Elsbeth. De gesprekken tussen Sara en haar ouders worden open, ze praten over haar gevoelens en over haar wens om te sterven.
Niet altijd passende hulp
Ondanks alle hulp die Sara kreeg, ging het uiteindelijk mis. In 2017 overlijdt Sara aan suïcide, in bijzijn van haar lieve kat Liesje. Voor Elsbeth en vader Frans begint een periode van rouw en vragen.
Elsbeth vraagt zich wel af: wat had er anders gekund? Ze maakt de behandelaars van haar dochter geen verwijten, zij deden echt hun best. Maar volgens haar werd Sara, en ook andere jongeren, soms te veel bekeken vanuit een systeem of protocol en te weinig als individu.
Volgens haar moet er binnen de hulpverlening meer ruimte komen om af te wijken van standaardprocedures wanneer de situatie daarom vraagt. Niet iedereen heeft namelijk hetzelfde nodig. ‘’Wat heeft die jongere nodig? Misschien gewoon een gesprek in het park. Of samen op de fiets bijvoorbeeld,’’ vertelt Elsbeth.
Preventie begint op jonge leeftijd
Elsbeth is van mening dat preventie niet pas moet beginnen als iemand al diep in de put zit, dan is het soms al te laat. Kinderen moeten volgens haar al eerder leren omgaan en praten over emoties. Op school komen veel jongeren samen. Daar liggen dus kansen om te werken aan mentale weerbaarheid, maar ook is het belangrijk om hier te praten over somberheid, stress en psychische obstakels.
Sara was voor haar dood bezig met een mental health-project, zoals ze dat zelf noemde. Na haar dood heeft Elsbeth samen met anderen dit project doorgezet, zo is de anbi-stichting Saarisnietgek ontstaan. De stichting heeft een eenmalig magazine uitgegeven voor kinderen tussen de 10 en 12 jaar, dit is een eigentijdse glossy met verhalen en opdrachten over emoties. Scholen kunnen deze aanschaffen en ermee werken in groep 7 en 8 in al bestaande lessen. Ook ouders en jeugdprofessionals hebben het magazine graag om met het kind in gesprek te gaan.
Sara met Liesje
Meer daadkracht, minder regels
Sinds 1 januari 2026 ligt er ook een deel verantwoordelijkheid bij gemeenten om suïcidepreventie structureel te organiseren. Elsbeth vindt dit een goede stap, maar er kan wel gekeken worden naar de uitvoering. ‘’Je moet kijken wat er specifiek in jouw gemeente nodig is. Welke jongeren hebben wat nodig? Er moet meer maatwerk geleverd worden,’’ vertelt ze.
Laagdrempelige initiatieven zouden veel kunnen betekenen. Denk bijvoorbeeld aan plekken waar jongeren gratis en anoniem kunnen praten of plekken waar activiteiten georganiseerd worden.
Niet alleen het politieke gedeelte is belangrijk, maar het moet een echte samenwerking worden met andere organisaties. Zoals een docent die besluit om in de klas aandacht te besteden aan dit onderwerp, een maatschappelijk medewerker die scholen benadert of een hulpverlener die meer naar het individu kijkt.
Elsbeth ziet verschillen bij organisaties, sommige organisaties zijn volgens haar meer terughoudend en verschuilen zich achter bepaalde regels en procedures. Terwijl andere professionals echt doorpakken. ‘’Ik zou graag zien dat sommige mensen iets meer daadkracht hebben en met hun hart werken,’’ zegt Elsbeth.
Sara is meer dan alleen dat meisje die overleed aan suïcide
Na het overlijden van Sara heeft Elsbeth niet alleen de stichting Saarisnietgek opgericht, maar ze heeft ook twee boeken geschreven. De boeken gaan over haar dochter en rouw, ze vertelt hier ook over tijdens lezingen.
Ze wil Sara daarmee niet alleen herinneren als het meisje dat overleed door suïcide, ze wil juist laten zien wie haar dochter was toen ze nog leefde. Sara schreef zelf ook veel, ze hield dagboeken bij en had een grote interesse voor belangrijke verhalen.
Nu gebruikt Elsbeth haar verhaal om andere mensen te bereiken, vooral jonge mensen. ‘’Als maar één kind dit leest en denkt: hé, dit gaat over mij. Misschien moet ik toch eens praten, dan is het doel eigenlijk al bereikt,’’ vertelt ze.
Worstel je met suïcidale gedachten of maak je je zorgen om iemand?Praten helpt. Bel 24/7 gratis en anoniem met 113 of chat op 113.nl
Voor het eerst wordt het Wereldkampioenschap waterskiën georganiseerd in Nederland. 140 tot 150 topsporters van meer dan twintig verschillende landen verzamelen zich in het Limburgse dorp om te strijden voor het goud. Tijdens de eerste dag sjezen de waterskiërs met meer dan 50 kilometer per uur over het water.
Afgelopen donderdagochtend publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) nieuwe cijfers over verschillende ontwikkelingen binnen de openbare bibliotheken in Nederland. Hieruit blijkt dat bibliotheken steeds populairder lijken te worden, 2025 kende het hoogste aantal bibliotheekvestigingen sinds 2014. Wat verklaart deze vooruitgang en wat is de rol van de bibliotheek in onze huidige samenleving?
Allereerst de toename in het aantal bibliotheekvestigingen. In 2025 kwamen er, volgens Koninklijke Bibliotheken, 35 nieuwe vestigingen bij. Het hoogste aantal sinds 2014 werd bereikt. Ook het totaal aantal leden zet zijn stijgende lijn van de afgelopen jaren voort, het totale aantal gebruikers was in 2025 voor het eerst weer hoger dan het aantal in 2013.
Bibliotheek als buurthuis
Jeske Boemaars is Manager Marketing en Projecten van Bibliotheken Midden-Brabant. Boemaars heeft het idee dat deze populariteitsstijging te maken heeft met de andere invulling die de bibliotheek meer en meer begint aan te nemen. Waar een bibliotheek eerder vooral gefocust was op het uitlenen van boeken of audiovisuele media, kunnen mensen de laatste jaren meer terecht om bijvoorbeeld te werken of studeren.
Ook wordt de focus gelegd op verschillende groepen binnen de samenleving. Zo worden er bijvoorbeeld meer en verschillende soorten workshops gegeven. Ook kunnen mensen terecht voor hulp bij de digitale overheid of algemene digitale vaardigheden. “Ik denk dat de bibliotheek voor een veel grotere groep inwoners een interessante en fijne plek is geworden.”
Ook heeft Boemaars het idee dat de bibliotheek een van de weinige overgebleven openbare plekken is waar je, zonder te hoeven consumeren, gewoon kan gaan zitten, werken en ook verschillende soorten mensen kunt ontmoeten. “Daarom is de bibliotheek best een unieke plek.”
Verbeterpunten
Wel zijn er verbeterpunten binnen de samenleving waar de bibliotheek volgens Boemaars nog bij kan helpen. Denk bijvoorbeeld aan de sterke afname van leesvaardigheid onder jongeren. Volgens Boemaars is deze afname te koppelen aan een grotere trend die te maken heeft met de huidige levensstijl van jongeren. Vele vormen van digitale media concurreren met het lezen onder de jongeren.
Hierin is het grootste aandachtspunt voor bibliotheken in Nederland volgens Boemaars het terugbrengen van het leesplezier onder jongeren; “Op scholen lag de nadruk de afgelopen jaren op het technisch en begrijpend lezen, maar wij als bibliotheken willen laten zien dat het ook heel leuk is om te lezen.” Om dit te bereiken wordt er door bibliotheken in heel Nederland volgens Boemaars veel samengewerkt met consultatiebureaus, kinderdagverblijven en scholen.
Multifunctionaliteit
Al met al blijkt dat de bibliotheek meer en meer inzetbaar wordt voor verschillende aspecten binnen onze samenleving. Het is niet meer alleen een plek voor het uitlenen en lezen van boeken, maar wellicht wel een essentiële bindingsvorm en hulpmiddel voor onze huidige samenleving.
11 september 2001, een dag die bij velen nog op het netvlies staat. Onze verslaggevers gingen op onderzoek naar de politieke gevolgen van deze aanslag. Zij spraken Thijs van Dooremalen, hij is socioloog aan de Universiteit van Leiden waar hij onderzoek deed naar de gevolgen.
Hardlopen, padellen, pilates, wielrennen en de welbekende hyrox. Je zult ze allemaal wel eens op je feed voorbij hebben zien komen. De hype rondom sporten en het online delen hiervan, ook wel bekend als de ‘fitness culture’, is groter dan ooit. Sporten is allang niet meer alleen een fysieke activiteit, het is een visuele lifestyle geworden. Maar waar doen we het eigenlijk voor; het verbeteren van ons lichaam of voor de online likes? Joost en Laura Mulder vertellen hun ideeën hierover.
‘Het wordt druk als elke training indrukwekkend genoeg moet zijn om te posten.’
Voor Joost (24) die op hoog niveau wielrent, is social media vooral een manier om zijn eigen ontwikkeling te laten zien. Het begon voor hem ooit met zijn sportprestaties te laten zien om zijn progressie bij te houden, ook om zijn vrienden en familie mee te nemen in zijn wedstrijden en trainingen. Inmiddels hoort het delen van zijn wielerleven er steeds een beetje meer bij.
Dat social media hem soms motiveert, geeft Joost eerlijk toe. “Het motiveert me om nét iets consistenter te zijn”, vertelt hij. Een goede training of wedstrijd geeft hem naar eigen zeggen extra voldoening. Ook de reacties van anderen spelen daarbij een rol. “Het is leuk als mensen reageren of kudo’s geven, vooral als het mensen uit de wielerwereld zijn. Maar uiteindelijk is mijn eigen prestatie veel belangrijker dan het aantal likes wat ik krijg”.
Toch heeft de online wereld ook een keerzijde. “Het wordt druk als elke training indrukwekkend genoeg moet zijn om te posten”, zegt Joost. Op social media laat hij vooral de goede dagen zien. Vermoeidheid of een training die minder is gegaan dan gehoopt komen minder snel online. Soms besluit hij daarom bewust iets niet te plaatsen. “Ik ben wel kritisch op wat ik deel”.
Toch zou Joost ook zonder publiek blijven trainen. “Ik koers op hoog niveau en mijn doelen liggen in wedstrijden, dus ik zou sowieso blijven trainen. Alleen het misschien wat minder vaak delen”
Sporten is niet meer alleen in de sportschool of op het veld
Voor jongeren speelt een deel van hun sportleven zich ook online af. In 2025 was 93% van de Nederlanders tussen de 12 en 25 jaar actief op sociale netwerken, blijkt uit cijfers van het CBS. Daarmee zijn sociale media voor eigenlijk vrijwel alle jongeren onderdeel van hun leven.
Maar sport en media raken ook steeds vaker met elkaar in aanraking. Onderzoek van het Mulier Instituut laat zien dat media mensen kunnen helpen om met een sport te beginnen of deze te beoefenen. 30% van de Nederlandse volwassenen gaf al aan in een onderzoek apps en andere media hiervoor te gebruiken. Denk hierbij vooral aan instructievideo’s en andere sportcontent om een sport te kunnen leren of oefenen.
Social media kunnen jongeren dus zeker in beweging brengen. Maar wat gebeurt er wanneer die motivatie niet alleen uit de sport zelf komt, maar ook uit de reacties van anderen? Wanneer een persoonlijk record tientallen likes oplevert, kan die waardering onderdeel worden van de manier waarop een jonge sporter naar zijn eigen prestaties kijkt.
‘Je hoeft niet te groeien ten opzichte van een ander.’
Voor jongeren die zichzelf online presenteren, kunnen likes en reacties onbewust invloed krijgen op hoe zij naar hun eigen prestaties kijken. Een like lijkt misschien onschuldig, maar voor jongeren kan online waardering meer betekenen. Maar wat doet al die online aandacht eigenlijk met jongeren? Laura Mulder, verbonden aan Fontys en gespecialiseerd in de ontwikkeling van jongeren en de invloed van sociale media, ziet dat likes en reacties wel degelijk iets kunnen doen met hoe jongeren naar zichzelf kijken.
Volgens Laura zijn jongeren tijdens identiteitsontwikkeling extra vatbaar voor invloeden van buitenaf. Op social media zien jongeren vooral de momenten waarop andere succesvol zijn: een snelle hardlooptijd, een zware training of een sportprestatie waar iemand trots op is. “Als je alleen maar ziet wat er allemaal lukt bij een ander, krijg je het idee dat dat normaal is. Dat dat iets zou zijn wat jijzelf ook zou moeten kunnen”
Het aantal likes kan daarbij ook een rol spelen. Jongeren die hun sportprestaties delen online, kunnen dat doen vanuit de behoefte om wat te delen én om waardering te krijgen. Wanneer een goede prestatie veel aandacht krijgt, maar een mindere prestatie nauwelijks, kan dat ervoor zorgen dat iemand zijn eigenwaarde steeds meer aan prestaties en bevestiging gaat koppelen.
Dat kan onzekerheid versterken, zegt Laura. “Je kan dus het idee krijgen dat je prestatie alleen goed is als die maximaal is. Of dat je alleen echt meetelt als die prestatie goed is”
Tóch benadrukt Mulder dat sociale media niet voor iedere jongere hetzelfde effect hebben. De ene jongere is gevoeliger voor vergelijking en beïnvloeding dan de andere. Ook kan het verschil maken of iemand vooraf al onzeker is over zichzelf.
Haar belangrijkste advies aan jonge sporters die online prestaties delen: vergelijk jezelf vooral met jezelf. “Als je groeit ten opzichte van jezelf in je sportprestaties, dan doe je het gewoon heel erg goed. Je hoeft niet te groeien ten opzichte van een andere” De motivatie om te sporten moet volgens haar vooral vanuit jezelf komen en niet uit de behoefte aan goedkeuring van anderen.
Liken als extra motivatie
Likes kunnen dus jongeren een extra motivatie geven om hun sportprestaties te delen. Maar ze kunnen ook zorgen voor vergelijking en prestatiedruk. Het verschil zit erin hoeveel waarde iemand aan die online waardering hecht. Een like kan leuk zijn, maar zou niet de reden moeten worden om te sporten of steeds beter te willen presteren.
Uiteindelijk blijft de belangrijkste vraag niet hoeveel mensen op de like-knop klikken, maar hoeveel plezier je er zelf uithaalt.
Ey! Daily gebruikt cookies om informatie over je apparaat op te slaan en die informatie te analyseren. Door in te stemmen met deze technologieën kunnen wij onder andere zien welke content het meest wordt gelezen, wat voor apparaten onze lezers gebruiken, waar onze lezers vandaan komen, en hoe lang ze op onze website blijven. Wij gebruiken die informatie vervolgens om onze content en onze website te verbeteren. Als je geen toestemming geeft of je toestemming intrekt, kan dit een nadelige invloed hebben op bepaalde functies en mogelijkheden.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.